Voordat we cases delen, eerst de woorden. Anders bedoelt iedereen iets anders met begrijpen, besef of “hij snapt het niet”. Dit is geen test. En geen voorspelling of een kind later gaat praten. Het is een lijst zodat je kunt kijken wat je wél ziet.
De lijn die we het meest gebruiken:
merken → herkennen → begrijpen → concept → besef
Daarnaast, niet in die lijn: splinters, praten, overprikkeling.
1. Merken
Iets komt binnen. Geluid. Beweging. Kinderen.
Hij weet dat het er is. Meer niet.
2. Herkennen
Dit heb ik eerder gezien.
Dezelfde speeltuin. Dezelfde beker.
3. Begrijpen
Dit ene ding heeft betekenis.
Jas = naar buiten. Fles = drinken.
Verschillende dingen en momenten gaan steeds meer bij elkaar horen.
4. Conceptvorming
Verschillende dingen en momenten gaan steeds meer bij elkaar horen.
Voorbeeld 1 – spelen
Niet alleen: met dit speelgoed spelen we samen.
Maar uiteindelijk: als andere kinderen samen met speelgoed bezig zijn, zijn ze aan het spelen.
Voorbeeld 2 – wachten
Niet alleen: ik moet wachten als mama dat zegt.
Maar uiteindelijk: als iemand anders eerst aan de beurt is, wacht ik tot ik aan de beurt ben.
5. Besef
Het geheel landt.
We zijn hier. Het duurt even. Papa blijft. Daarna naar huis.
Dit is de situatie.
6. Splinter
Iets dat heel goed gaat, los van de rest.
Ziet er knap uit. Zegt nog niks over concept of besef.
7. Gedeelde aandacht
Samen naar hetzelfde kijken.
Jij wijst. Hij kijkt. Even samen.
8. Taal begrijpen en taal maken
Woorden innemen is iets anders dan woorden zeggen.
Een woord lezen is nog geen “ik voel dit”. En nog geen “we gaan straks”.
9. Tijdsbesef
Nu. Klaar. Later.
“Straks halen we je op” hoort hier. Dat landt bij Tony vaak niet.
10. Groepsbesef
Die kinderen horen bij dit moment. Wij horen er samen bij.
De groep zien is merken. Dat is nog geen groepsbesef.
11. Oorzaak en gevolg
Als dit, dan dat.
Jas aan → naar buiten. Dat kan.
Wachten → daarna speeltuin. Dat is lastiger, omdat het in de tijd zit.
12. Laten zien
Wat hij kan, is niet altijd wat hij nu laat zien.
Weiniger energie, meer prikkels, buikpijn: dan lijkt het of hij het niet snapt. Soms is de ruimte er gewoon niet.
Hoe we later naar een situatie kijken
- Wat merkt hij?
- Wat herkent hij?
- Wat begrijpt hij?
- Welk concept ontbreekt?
- Is er besef van de situatie?
- Of zien we vooral een splinter, overprikkeling, of te weinig ruimte om het te laten zien?
Elk kind is anders. Dit is geen diagnose en geen medisch advies. We zijn nog volop in ontdekking.
Bronnen
-
Mundy, P. Gedeelde aandacht als vroege bouwsteen.
-
Landa, R. e.a. Vroege sociale ontwikkeling bij kinderen die later autisme ontwikkelen.
-
Parten, M. (1932). Fasen van sociaal spel.
-
Frith, U. Weak central coherence: details versus het geheel.
-
Minshew, N. Concept herkennen versus een nieuw concept vormen.
-
Raising Children Network. Sociale situaties klein en voorspelbaar houden.
-
In het Spectrum. Losse vaardigheden versus conceptbegrip.
-
In het Spectrum. Peuters en groepsbesef.
-
In het Spectrum. Kun je besef oefenen bij autisme?